Ik voelde mezelf nuttig en trots. Met wat er in mijn haar te vinden was kon ik een goeddraaiende frituur een volledige week van olie voorzien, mijn gebottelde lichaamsgeur zou menig insect de dood injagen en met wat er zich binnenkort in die ontluikende pukkel zou ontwikkelen kon ik zeker en vast een middelgroot Afrikaans dorp voeden. Maar ik was te zwak om al dat moois in stand te houden. De drang om te douchen was té groot. Een beetje mistroostig kwam ik voor het eerst in drie dagen uit de catacombe en begaf ik mij naar de badkamer, alwaar ik afscheid nam van de pyjama waar ik de voorbije dagen in geleefd en geslapen had. Dat had ik beter niet gedaan, want zodra ik mij in naakte toestand bevond, drong het op pijnlijk trage wijze tot me door dat ik vanaf dan tot de corpulenten van deze wereld moest gerekend worden. Of de nijlpaarden, of de walrussen, zo u wil.
Na minutenlange blikken van ongeloof, buik-intrek-manoeuvres en mislukte trek- en knijppogingen om het vet naar minder zichtbare oorden te verplaatsen, besefte ik dat er geen kant-en-klare oplossing was. Ik stapte in de douche en, verbaasd over het feit dat het arme ding niet uit zijn voegen was gebarsten bij mijn intrede, probeerde ik me voor de geest te halen wat de oorzaken van mijn exponentiële uitzetting konden geweest zijn. Aan de appels, tomaatjes en worteltjes zal het alvast niet gelegen hebben. Druifjes leken me ook onschuldig. Misschien ging het mis toen ik de druiven door rozijnen verving? Of toen de rozijnen noten werden? Of toen ik van noten overschakelde op M&M's? Of toen de M&M's op mysterieuze wijze in karamellen veranderden? Of toen de karamellen op waren en ik noodgedwongen overging op cakejes? Hmm.
Sla en water, vanaf... nù.