Tien jaar geleden besliste één of andere harteloze aannemer om Hofstades mooiste wei met de grond gelijk te maken. Alles wat er op stond - op uitzondering van de schapen en de koeien, die respectievelijk tot pullovers en saucissen werden verwerkt - werd fijngestampt tot een harmonieuze mousse van bloempjes en kevertjes. Hierop werden op niet-zo-professionele wijze twintig identieke huizen neergeplant, allen gekenmerkt door rotslechte isolatie, binnenmuren die eruit zagen alsof ze bepleisterd waren door een vierjarige en een pracht van een zolder, waar zelfs een pantoffeldiertje z'n hoofd aan het plafond zou stoten.
Twee jaar later propten wij al ons meubilair in een verhuiswagen en namen we onze intrek in één van deze huizen. Het bleek al gauw dat er in de verhuiswagen meer plaats was dan in de toekomstige woonkamer, maar dat was voor mijn ouders absoluut geen probleem, want weldra zou het Land van de Identieke Garagepoorten bevolkt worden door beschaafde, voorname mensen en dan konden zij eindelijk barbecueën en koffiedrinken met gelijkgestemden terwijl de kinderen buiten vrolijk ronddartelden. Er kwamen enkele marginale Aalstenaars (is dat een contaminatie?) en een familie Russen wonen, met wie de communicatie tot op de dag van vandaag nog steeds niet vlotjes verloopt. De droom werd pas echt aan diggelen gemept toen schele Jimmy zijn intrede deed, die sinds dag één permanent op post zit achter zijn badkamerraam om te zien of er toevallig niemand van de buren onder de douche staat.
Er kwamen geen barbecues en geen koffiekransjes, de honden van de buren kakten olijk op de stoep en letterlijk ieder paaltje dat in de straat stond werd genadeloos omvergereden. De buurt stond in rep en roer toen den Eddy een andere klink op zijn deur monteerde en iets later ook een zelfgefabriceerde brievenbus aan z'n deur zette, maar verder gebeurde er werkelijk niets spannends.
Vijf jaar later kwam er een Marokkaan in de straat wonen. Hij dacht ons te kunnen choqueren door een satelliet op zijn dak te placeren en zijn voortuin te decoreren met exotische bloemen, maar intussen hadden de meesten al eigenhandig een illegaal tuinhuis gebouwd (één kerel ging zelfs voor een heuse muziekstudio, om zelf carnavalhits te kunnen maken) en er was eerder dat jaar al een gekke vrouw aan het tuinieren geslagen, met als gevolg dat niemand nog haar voordeur kon bereiken zonder zich een weg te banen tussen de palmbomen en de bamboestokken.
De Marokkaan was echter vastberaden zich onpopulair te maken bij de plaatselijke bewoners en had er dus niet beter op gevonden dan imker te worden. Zijn bijenpopulatie groeide exponentieel, zo ook zijn kroost, bijgevolg lopen en vliegen er nu overal creaties van onze lichtbruine medemens in de straat. De kindertjes zijn adorabel, maar dat kan van de bijen niet worden gezegd. Ze komen de laatste weken met z'n allen sterven op de vensterbank van de keuken en er hebben er ook al een paar de weg gevonden naar mijn slaapkamer. Bij het begin van dit schrijven hing er nog eentje te creperen aan het dakraam. Het arme kereltje had waarschijnlijk gehoopt dat ik hem de wereld uit zou helpen met behulp van een vliegenmepper (bijenmepper?) of een opgerolde Dag Allemaal, maar gezien ik weiger mee te werken aan de omzeephelping van levende wezens (dikke spinnen uitgezonderd) en mij nooit of te nimmer zal verlagen tot het lezen van Dag Allemaal, had ie grandioze pech.
Intussen is Bij Numéro Deux binnengefladderd, voorlopig nog levend en agressief. Het spreekwoordelijke (struisvogel)ei in mijn broek gebiedt mij te vluchten.
Adieu!