vrijdag 10 mei 2013

Over vissen en hangborsten

Helwin De Visvanger had met veel moeite de laatste, staartzwiepende karper in zijn draagnet weten te stoppen. Als werkzweet iets waard was geweest, had hij op dit moment een miljonair kunnen zijn. Hij hing zijn net over een boomtak en besloot even te gaan zitten, om op adem te komen. Een paar tellen nadat hij besloten had een wedstrijd ‘naar niets kijken’ met zichzelf te houden, begon de vis die hij het laatst gevangen had te kwispelen als een wilde hond. Helwin raapte een kei van de grond en maakte aanstalten om hem naar de vishond te gooien, maar toen het dier dit zag, protesteerde het hevig door te tjilpen als een bosparkiet.Van verbazing liet De Visvanger de steen op de grond vallen en bekeek hij de vishondbosparkiet van dichter bij.
“Identiteitscrisis, beestje?” knorde hij.
Het dier hoestte en kuchte als een oude, magere zangeres die over bijzonder veel huidoverschot, vioolpaarse oogschaduw, boa’s, panty’s en de longen van een kettingroker beschikte. Na zijn hoestbui schudde hij met zijn kopje en zei op z’n Bavo Claes’:
“Neen mijnheer, ik ben en blijf een doodgewone karper. Carpe, carp, cyprinus carpio, misschien verstaat u dat beter? Ik had toch wel gedacht dat u op zijn minst zou weten hoe een karper er uitzag, u vist al van voor u deftig kon spreken.”
“Natuurlijk weet ik hoe een karper er uitziet! Ik was er ook van overtuigd dat jij er een was,
maar dat was vóór je begon te kwispelen, te tjilpen en te praten.” zei Helwin verontwaardigd.
“Ik zocht een geschikte manier om u aan te spreken, soms is het even zoeken om de juiste geluiden te produceren.” legde de vis uit.
“Ach zo, dus je doet dit vaker?” vroeg De Visvanger op sarcastische toon.
“Ik, mijnheer, communiceer met alles en iedereen, al sinds jaar en dag. Ik ben de oudste vis uit de rivier, wist u dat? En dat is waarom u mij niet vangen mag: ik ben zeldzamer dan de blauwe bloemen op de heuvels, de enige bloemen die door niemand geplukt mogen worden. Bovendien ben ik al veel te oud en vast taai en smakeloos.”
“Veel praatjes, dat heb jij. Straks rijg ik je aan een twijg, daarna mag je nog even een babbeltje slaan met de vlammen en het hout en dan is het afgelopen.”
“U, mijnheer,  bent een dommerik. Een regelrechte stommeling. Maar goed, ik kan begrijpen dat uw brein ter grootte van een gehalveerde meelkorrel niet kan vatten dat vissen wel degelijk  talenten kunnen hebben. Daarom zal ik u een voorstel doen. Als ik u kan laten zien waartoe ik in staat ben, laat u me weer zwemmen. Slaag ik er niet in, dan zal ik met graagte mijn taak als avondmaal vervullen. Deal?”
Helwin aarzelde even. Niet lang voordat zijn meelkorrel oververhit zou raken, besloot hij dat hij in feite toch niets te verliezen had. Als de vis de waarheid sprak en zijn kunsten getoond had, zou hij hem tóch meenemen naar huis en zou hij hem tóch roosteren. Dus stemde hij toe. De vis knikte, glimlachte, haalde een broek van tussen zijn kieuwen, haalde vanonder zijn vin een ceintuur , deed de broek aan, stak de ceintuur door de lusjes, streek de plooien glad, mopperde omdat zijn vrouw de broek vergeten strijken was en dat hij eruit zag als een clochard, tastte in de broekzak en haalde daaruit twee stapeltjes gekleurde kaarten.
“Kies drie kaarten, visser.” zo sprak de karper. “ Op de ene zal u een jaartal lezen, op de andere een plaats. De derde kaart –die u van de andere stapel neemt- is de joker, die mag u inzetten als de getrokken kaarten u niet aanstaan.”
Helwin deed wat de vis hem vroeg. Hij koos een muntgroen kaartje, een die scharlakenrood was en een kaart die de kleur had van de lucht als het koud was. Hij kende geen naam die goed genoeg was om de kleur te beschrijven. Op de groene kaart stond ‘1820’ en op de rode stond ‘opera’. Hij wist niet wat hij zich daarbij moest voorstellen, het was net als dat taaltje van de stamleden aan de andere kant van het bos die praatten alsof ze met hun mond vol woudbessen stonden: onverstaanbaar.
“Hé, karpermans, ik snap niets van dat gezwets. Je neemt me in de maling!” riep Helwin.
“Helemaal niet! Wat denkt u wel van mij? Mijn leven hangt hiervan af! Denkt u dat ik dan grapjes maak?” foeterde de vis.
“Dan zet ik de jokerkaart in. Die heeft in elk geval een mooie kleur.”
“Als u kiest voor de joker, zend ik u naar een willekeurige plaats in een willekeurige tijd. Maar ik waarschuw u: besteed uw tijd goed, want na een half uur komt u sowieso, onverbiddelijk en onmiddellijk terug hierheen.”
“Jij? Zenden? Jij gaat mij ergens heen zenden? Je bent een vis, geen postkantoor!”
“Sluit u nu maar gewoon de ogen en tel tot zeventien, mijnheer.”
De Visvanger wilde nog zeggen dat hij helemaal niet tot zeventien kón tellen, maar het wasalsof zijn mond dichtgeknoopt werd met touwen, vervaardigd uit het beste vlas, en alsof zijn oogleden werden samengekleefd met de plakkerigste, stroperigste hars. Aangezien hij niet kon tellen, wachtte hij tot zijn lippen en oogleden weer beweeglijk waren geworden. Toen hij zijn ogen opendeed, zag hij dat hij zich in een kleine grot bevond. Alleen waren de muren niet koud, grijs en hobbelig, maar wit, recht en glad. Hij staarde naar boven en zag dat er aan de bovenkant van de grot een rechthoekige, felle zon was. Haar licht was witter en helderder dan dat van de zon die hij kende, en hij wist zeker dat als hij een hoge steen zou vinden, hij haar zou kunnen aanraken. Achter zich bemerkte hij een rivier in de muur. Het water was zo helder en puur dat het leek alsof iemand er een zilveren laagje had over geschilderd. Hij kon er zichzelf duidelijk in zien. Aan de andere kant van de ruimte zag hij dat er een laken dat over een grote, dikke tak hing. Hij wilde dat hij degene die deze tak zo perfect rond, glad en glimmend had gemaakt, kon feliciteren. Ook het laken was duidelijk gemaakt door handen die niets anders dan weven en haken hadden gekend. In al zijn verwondering had hij niet eens gemerkt dat er achter het doek overduidelijk een grote groep vrouwen aan het konkelfoezen was. Ze spraken een vreemd dialect en gebruikten woorden die hij nog nooit eerder had gehoord. Voorzichtig piepte hij vanachter het laken, en vanaf het moment dat de vrouwen zijn gezicht zagen, keken ze hem één voor één precies twee seconden aan, om daarna allemaal om ter hardst oorverdovende schreeuwen en krijsen uit te stoten. Het was hem al meteen duidelijk dat dit geen gewone vrouwen konden zijn. Hun haarlokken waren allemaal voorzien van een onnatuurlijke glans, hun kleren waren bijzonder vreemd, ze hadden nagels in kleuren waarvan hij niet wist dat ze bestonden en om hun voeten hadden ze vreemde schoenen met puntige uiteinden, alsof ze allemaal graag een flamingo met lange, smalle poten wilden zijn. Één vrouw uit de kudde stapte op hem af. Aan haar gelaatsuitdrukking en de manier waarop ze stapte kon Helwin zien dat ze heel boos was, al wist hij  niet zeker of de vrouw zo liep omdat ze kwaad was of omdat ze die vreemde dingen aan haar voeten had.
“Wilt u wel eens maken dat u hier buiten bent, meneer?” brulde ze. “Als u het grappig vindt om een lingeriewinkel binnen te komen in wildemansoutfit en u vervolgens te verstoppen in de kleedkamers om ons te doen schrikken, dan bent u gek. Ga vieze boekjes lezen en voetbal kijken, ga vogelhuisjes timmeren of het gras maaien, het kan mij echt niet schelen wat u gaat flikken maar in Godsnaam, ga iets normaals doen!”
De vrouw was volledig rood geworden en ze had een klein beetje op zijn gezicht gespuugd. Eigenlijk zag ze er belachelijk uit. Toch was haar uitlachen het laatste wat Helwin wilde doen. Hij voelde alleen onbegrip een zelfs een tikkeltje angst.
“Wat is een lingeriewinkel?” vroeg hij aarzelend.
Hij zag dat de ogen van de vrouw bijna uit haar kassen floepten en dat ze zo hard op haar tanden beet dat ze ieder moment met haar mond vol stukjes zou staan als hij nu niet maakte dat hij wegkwam. Dus zette hij het op een lopen en baande zich een weg tussen de dames. Het kwade vrouwmens koerste enkele meters achter hem aan, maar ze gaf het al vlug op. Toen hij de deur uit was, bekeek ze hem nog even afkeurend en brieste ze kort, als een astmatische stier. Uiteraard was dit hele tafereel niet onopgemerkt voorbijgegaan. Rondom De Visvanger stonden een heleboel mensen. Hij constateerde dat ook de mannen van deze stam Vreemde kleren droegen. Iedereen keek naar Helwin en Helwin keek naar iedereen. Iedereen fluisterde en Helwin bleef staan, alsof zijn voetzolen en de grond zo veel van elkaar hielden dat ze elkaar nooit meer los wilden laten. Toen iedereen ophield met fezelen en de meeste mensen verder liepen, haalde Helwin als een strenge vader die niet wilt dat zijn dochter de dorpsidioot huwt, zijn voeten en de aarde bruusk uit elkaar. Hij draaide zich om en keek naar de voorkant van de zogenaamde ‘lingeriewinkel’. Hij zag witte, glimmende vrouwen zonder gezicht. Ze bewogen niet en hun borsten zaten in erg rare kledingstukken, althans, hij veronderstelde toch dat het kledingstukken waren. De borsten zelf zaten in een soort van mandjes, of waren het helmen? Schelpen, gemaakt uit stof? Korfjes? Bij sommige van de kledingstukken waren het zelfs gewoon lappen, soms effen, soms met patronen erop. Over de schouders hingen touwen of lintjes en ook aan de achterkant was dit het geval. Hij kon niet bedenken wat het was, hij wist alleen dat het er bijzonder oncomfortabel uitzag, of misschien zelfs pijnlijk. Plots schoot hem iets te binnen. Het waren geen kledingstukken, het waren marteltuigen voor vrouwen die ongehoorzaam waren! Daarom waren de vrouwen natuurlijk zo angstig en boos, ze stonden op het punt om in zo’n ding gehesen te worden! Net toen hij terug naar binnen wilde lopen, werden zijn ogen weer zwaar en smolten zijn lippen weer samen. Enkele tellen later stond hij precies op de plaats waar hij de vis had gevangen. De karper was nergens te bespeuren en ook de andere vissen die hij had gevangen waren verdwenen, maar hij had geen tijd om boos te zijn. Zo snel als zijn voeten hem konden dragen rende hij naar zijn stam om te vertellen wat hij gezien had. Eenmaal hij aangekomen was negeerde hij zijn boze en hongerige gezin en vertelde over zijn vreemde ervaring. Al zijn stamgenoten dachten dat hij gek was geworden of ziek was, dus brachten ze hem naar het stamhoofd. Het stamhoofd werd beschouwd als een man die over een oneindig grote wijsheid beschikte. Hij wist alles over de goden, over medicijnen, hij wist wanneer ze het best konden gaan jagen, wanneer de zon onder zou gaan en wanneer ze weer op zou komen, wanneer het weer goed of slecht zou zijn en wanneer een vrouw haar kind zou baren. Met tientallen tegelijk stormden ze de grot van het hoofd binnen en allemaal wilden ze uitleggen wat er aan de hand was met Helwin. De wijze man gebaarde dat iedereen naar buiten moest gaan en zei dat Helwin degene was die het beste zou kunnen uitleggen wat er gaande was. De Visvanger vertelde honderduit en het stamhoofd luisterde aandachtig. Helwin vertelde zo uitbundig dat hij, wanneer hij eindelijk klaar was, nog zat na te hijgen. De wijze wachtte tot De Visvanger kalm was geworden en zei:
“Datgene dat jij gezien hebt, mijn zoon, is geen marteltuig. Het is… een beha. Jij beweert dat je in de toekomst hebt kunnen kijken, of sterker nog, dat je er in hoogsteigen persoon bent geweest en dat wil ik graag geloven, maar beha’s bestaan niet enkel in de toekomst. Duizenden jaren voordat Damagon, de maangod, de maan schiep, en honderden jaren voordat Torunagud, de god van de natuur, alle planten, bomen en bloemen liet groeien –dat is dus heel erg lang geleden- was er een god die Gritogo-sunee heette. Hij was getrouwd met de wondermooie godin Getintha. Elke godin benijdde haar om haar slanke taille, haar vrouwelijke vormen en haar sierlijke ledematen. Maar naast de mooiste godin was Getintha ook de ijdelste, de meest hebzuchtige, de domste en de meest veeleisende. Ze verwachtte van Gritogo-sunee dat hij haar veel cadeaus gaf, ook als er niets te vieren viel. Ze verlangde dat hij ieder moment van de dag klaarstond om haar wensen te vervullen en Gritogo-sunee gehoorzaamde gedurende een lange tijd. Hij vond het niet erg dat zijn vrouw zo grillig was, haar schoonheid maakte alles goed. Getintha begon echter steeds vaker onbenullige dingen te wensen die ze daarna niet meer wilde. Zo wenste ze in het midden van het Warmseizoen een mantel, vervaardigd uit vijfhonderd van de mooiste marterpelzen. Gritogo-sunee vertelde haar dat ze de mantel niet zou kunnen dragen omdat het veel te warm was en dat hij geen vijfhonderd marters wilde doden om een jas te maken die ze nooit aan zou doen. Toen Getintha dit hoorde begon ze schril te krijsen en te huilen. Ze schreeuwde dag en nacht en ze weende zo luid dat het hele Godenrijk constant geteisterd werd door haar gejammer. De andere goden spoorden Gritogo-sunee aan om zijn echtgenote haar zin te geven en uiteindelijk gaf hij toe, al was het maar om de overige goden van hun nachtrust te kunnen laten genieten. Getintha kreeg haar jas. In haar koele paleis voelde ze nog niets van de hitte die er buiten de muren heerste, maar van zodra ze naar buiten wilde gaan om met haar mantel te pronken, kreeg ze het zo warm dat ze ziek werd. Ze wilde dat de mantel stante pede vernietigd werd omdat hij haar zoveel ellende bezorgd had. Niet zo lang daarna wilde ze dat de muren van haar paleis in het felste rood werden geverfd. Iedereen waarschuwde haar dat ze gek zou worden en dat haar ogen zouden branden als ze te lang in haar eigen huis was, maar Getintha wilde niet luisteren en dreigde ermee weer te gaan krijsen als ze haar zin niet kreeg. De muren werden rood geverfd en na enkele dagen was Getintha bijna blind van de felle kleur. Het paleis moest terug gewit worden. Zo wenste ze ook nog een vleesetende plant met prachtige bloemen, maar aangezien die bijna een stuk van haar vinger hapte, liet ze de plant verwijderen. Ze wilde het snelste paard dat er bestond, maar daar viel zij telkens opnieuw af. Ze verlangde oorbellen met twintigduizend edelstenen, maar haar oorlellen scheurden. Ze wilde de langste gouden lokken, maar ze verdwaalde in haar eigen haar. De lijst van wensen die ze deed zonder er bij na te denken was oneindig lang en Gritogo-sunee vond dat daar iets aan gedaan moest worden. Hij deed zijn vrouw een voorstel. Ze zou nog kunnen wensen wat ze wilde, maar de wensen zouden onomkeerbaar zijn. Zo zou ze verplicht zijn om na te denken alvorens ze weer onmogelijke dingen zou gaan verlangen. Als ze hiermee niet akkoord was, zou hij simpelweg  geen enkele wens meer vervullen. Getintha besefte dat ze weinig keus had en dus beloofde ze dat ze na zou denken alvorens ze nog iets zou wensen. Lange tijd eiste ze helemaal niets, omdat ze bang was dat ze iets verkeerds zou wensen. Hiervan werd ze heel verdrietig, ze was het gewend om steeds alles te hebben en nu had ze helemaal niets meer, omdat ze te bang was om iets te vragen. Ze begon enorme hoeveelheden voedsel naar binnen te werken om niet te moeten denken aan haar verdriet en ze werd steeds dikker. Na een tijdje was ze niet langer de meest begeerlijke godin van het rijk. Hiervan werd ze nóg droeviger en dus besloot ze toch één wens te doen. Ze dacht lang genoeg na en kwam tot de constatering dat ze met deze wens niets verkeerds zou kunnen doen. Ze vroeg aan haar man of hij haar terug slank kon maken. Gritogo-sunee legde uit dat hij niet in staat was het uiterlijk te veranderen door dingen weg te nemen. Hij kon mensen met drie oren niet helpen door een oor te laten verdwijnen, hij  kon het oor echter wel verplaatsen naar een minder zichtbare plaats. Hij kon iemand met een scheve neus helpen door die neus recht te zetten, maar hij kon de huidige neus niet wegnemen en een andere in de plaats geven. Getintha zei dat ze daarvoor een oplossing had. Al het vet dat ze nu had en al het vet dat er nog zou bijkomen mocht Gritogo-sunee naar haar borsten verplaatsen. Grote borsten waren toch aantrekkelijk, dat was toch wat elke godin verlangde? Het was toch een geweldig alternatief voor al dat heup- en buikvet? Verblind door het beeld van zijn slanke vrouw en haar toekomstige borsten ter grootte van rijpe watermeloenen vervulde Gritogo-sunee de wens onmiddellijk. De mooie Getintha had haar status van knapste Godin terug en nu werd ze zelfs nog meer geprezen omwille van haar weelderige boezem. Ze slaagde er echter niet in om in haar eetgewoonten van jaren geleden te hervallen. Ze bleef veel te veel eten naar binnen schrokken en haar borsten werden steeds groter. Zijzelf en de rest van het Rijk der Goden vonden dat prima, ze werd er alleen maar mooier door. Maar op een gegeven moment begon het fout te lopen. De borsten werden zo zwaar dat ze onder haar navel gingen hangen, nadien zakten ze af naar haar dijen, daarna naar haar knieën, vervolgens waren haar enkels aan de beurt en daarna sleepten ze over de grond. Ze werden zelfs zo lang, breed en dik dat het ganse godenrijk op de duur ondergedompeld was in borst. Het paleis van de oppergoden was gelegen op de linkertepel, het badhuis was verzonken onder een flap en de markt en honderden huizen lagen ergens in haar decolleté. Gritogo-sunee vond zijn vrouw niet meer aantrekkelijk en daarvan werd hij bijzonder ongelukkig. Hij kon deze wens niet omkeren, maar hij was vastbesloten íets aan deze situatie te doen. Eerst en vooral ontwierp hij een grote kaart, zodat de Goden tenminste niet meer verloren konden lopen. Daarna volgden er voor hem vele slapeloze nachten, de dagen bracht hij volledig alleen door. Na ettelijke weken had hij een grandioos idee. Hij zou iets maken dat haar borsten bij elkaar zouden houden en dat het geheel compacter zou maken. Deze uitvinding moest er ook voor zorgen dat haar borsten op de juiste hoogte zouden blijven hangen. Hij tekende ontelbaar veel plannen en ontwerpen, hij schetste en kribbelde tot zijn vingers bloedden en toen hij het juiste ontwerp had, werkte hij tot hij erbij neerviel. Toen zijn idee eindelijk uitgewerkt was, rende hij naar het gezicht van zijn geliefde, dat ook ergens onder haar eigen borsten lag. Gritogo-sunee riep alle andere goden en samen met hen propte hij de groteske borsten in de zogenaamde Borst-Hooghouder (afgekort: B.H.). Toen dit helse werk ein-de-lijk gedaan was, kon Getintha weer rechtop lopen en konden de goden terug in hun huizen gaan wonen.”
Helwin had gefascineerd zitten luisteren en langs zijn open mond drupte een straaltje kwijl.
“Doe je mond dicht” zei het opperhoofd. “En vertel tegen niemand wat ik je verteld heb. Het geheim van de functie van beha’s moeten pas geopenbaard worden na een wrede tijd die nog moeten komen… wanneer de hippies elk gebied op de wereld zullen veroveren, over duizenden jaren, zullen zij haat jegens beha’s uiten. Dan is het tijd om te verkondigen dat beha’s noodzakelijk zijn. Wanneer iedereen het al weet, zal het geen effect meer hebben op deze zogenaamde hippies en zal vanaf 1960 elke vrouw hangborsten krijgen. Dus zwijg, zoon, doe het voor het welzijn van de moderne man.”
“Ik beloof het” zei Helwin.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten