zaterdag 12 januari 2013

Golden Grahams


Krokant karton en zoet, daar smaakten ze een beetje naar. Meer karton dan zoet, meende ik me te herinneren, en toch prijkte er een pas aangekochte doos vol van op mijn bed. - Want zo doen de echte studenten dat, boodschappen uitstallen op hun bed. – Toen ik acht was en een flanellen pyjama met een rafelend gat ter hoogte van mijn derrière erin droeg, vond ik ze lekker. Nu niet meer, want mijn poep rafelt niet meer. Wat?

Als achtjarige kende ik alleen nog maar “poep”, en “derrière” nog niet. Het is een ware deugd om veel synoniemen voor het voornaamste menselijke ontlastingskanaal en diens omringende flappen te kennen. Het is ook best fijn al oud genoeg te zijn om ontbijtgranen die nostalgisch smaken te kunnen kopen en kleren met gaten erin in de vuilbak te kegelen. Toen ik klein was stopten mijn buurmeisje en ik soms petanqueballen onder onze T-shirts. Toen deden we alsof we – weliswaar buitenproportionele en exceptioneel aan de zwaartekracht onderhevige - borsten hadden. Eén blauwe en één gele.
Ik denk niet dat mijn buurmeisje het zou goedkeuren als ze wist dat ik dit over haar schrijf. Het is nochtans echt waar.

Op de trein had ik vandaag de eer (en iets minder het genoegen) naast een uiterst merkwaardig figuur te zitten. Hij had last van achterhoofdkaalheid, de zeldzamere tegenpool van – u raadt het al – voorhoofdkaalheid waardoor de vetrolletjes in z’n nek netjes op de kraag van zijn plastieken frak rustten. Hij droeg ook een pet die de nekrollen – mochten ze ooit ambitie krijgen om de kraag te verlaten – stevig neerwaarts duwden. Uiteraard had hij ook een snor. Naar alle waarschijnlijkheid heette hij Patrick of Johny met één n.
Helaas rook hij naar een stal alwaar een kudde vleeskalveren die het grasbuffet van die avond stevig misvallen was alle remmen los had gelaten. Een beetje zurig.

 MEUH

Geen opmerkingen:

Een reactie posten