Er fladderde een klein bruin vogeltje voorbij in de tuin. Het geflapper van zijn vleugels klonk precies hetzelfde als een straaltje melk dat tussen cornflakes sijpelt. Ik denk dat er iets mis is met mijn oren. Verdorie!
Over oren gesproken, onlangs zag ik een man vol overgave in z’n eigen linkerexemplaar peuteren. Het zag eruit alsof het deugd deed. Toen haalde ie z’n pink eruit, keek triomfantelijk naar wat ie had gevangen en stak het zonder aarzelen in z’n mond. Ik vond het erg vies, maar kon niet stoppen met kijken. Hij zag dat ik het gezien had, en nog steeds kon ik niet stoppen met kijken. Even dacht het schaamrood richting mijn wangen te marcheren, maar ik besefte net op tijd dat ìk heus niet degene was die zich betrapt moest voelen. Staren naar oorsmeer-etende kerels is toch geen misdaad? Néén!
Enkele uren later duwde iemand een stapel versgekopieerde Zweedse gedichten – waarvan ik nu weet dat ik ze nooit zou lezen - in m’n handen. Het gloeide en rook een beetje giftig. Plots bedacht ik dat de warmte van de papieren het behaaglijkste was dat me in de voorbije weken was overkomen. Dat vond ik een beetje zielig, dus stopte ik maar met het te denken en at een koekje. Blijdschap!
Over kopiëren gesproken, als de juf van Latijn haar toetsen thuis had geprint, dan roken die naar komkommer. Daar werd ik zo rustig van dat alle concentratie weggleed en ik slechte punten haalde. Làstig!
In de les bedacht ik dat het fijn zou zijn om iets nuttigs te kunnen maken van plastieken zakjes, kwestie van m’n milieubewuste geweten te sussen. Tijdens de naarhuiswandelingstocht lieten de weergoden hun privézwembad leeglopen. Het meeste ervan leek alleen op míjn hoofd terechtgekomen te zijn. Uit boosheid vroeg ik bijna een plastieken zakje in de supermarkt. Wraak!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten